Orthodox Klooster van de Heilige Johannes de Voorloper

Voorvasten

Gisteren zijn we in het Triodion de eigenlijke Voorvasten begonnen met de zondag van de Tollenaar en de Fariseeër. De zaterdagavonddiensten van deze weken bezitten een wonderbare schoonheid. Het zijn diep beleefde meditaties over het evangelie van de volgende morgen, waaraan deze zondagen hun naam ontlenen.

De rouwmoedige Tollenaar wordt in alle toonaarden bezongen. Het typerende van de orthodoxe Diensten is hoe zij een thema tot tastbare werkelijkheid weten te brengen. Alles wordt van heel nabij beschouwd en soms sprekend ingevoerd. We worden er bij betrokken, persoonlijk toegesproken, soms als het ware bij de hand genomen om onze eigen positie te begrijpen en te zien wat wij zelf verkeerd hebben gedaan, waarin wij tekort geschoten zijn, hoe wij ons willen verbeteren.

De beste weg naar omhoog is het afdalen door de deemoed. Dat is ons geleerd door het goddelijk Woord Dat Zichzelf gedeemoedigd had door de gestalte aan te nemen van de slaaf. Maar wie Hem trouw navolgt, zal om die deemoed worden verheven.

Maar ook het gedrag van de Fariseeër wordt beschouwd: hoe de dwaasheid der zelfverheffing de rijkdom aan deugden in bittere armoede doet verkeren, omdat hij getroffen wordt door het afkerig oordeel van de Heer.

Hoe goed past bij deze zondag de bijna juichende boetezang: De deur der boete open mij, o Levenschenker, welke ons de komende weken zal begeleiden.

Wij, in onze eigen ogen, zo brave christenen, kunnen ons eigenlijk heel goed vinden in dat beeld van die fariseeër, wanneer we daar niet de tegenwoordige betekenis van “huichelaar” aan verbinden, maar ons bewust worden dat wij net zo over onszelf denken als die man uit de parabel over zichzelf dacht: We doen netjes onze plicht, we bidden geregeld, we houden de Vasten, we doen niemand kwaad; en wanneer we met iemand niet goed kunnen opschieten, dan is die ander toch wel een volkomen onmogelijk mens. We zien erg goed hoezeer andere mensen tekort schieten, en al zeggen we het niet met zulke ronde woorden, we zijn er toch innerlijk van overtuigd dat we voor God eigenlijk heel wat meer waard zijn dan de meeste mensen, die zich immers nergens iets van aantrekken.

En dan is daar Christus, die zulk een onbegrijpelijke voorkeur vertoont voor die gehate tollenaar. Hij heeft de tegenstelling tussen die twee heel duidelijk gemaakt om ons wakker te schudden en ons over onszelf te laten nadenken. We moeten leren eerlijk te zijn over onszelf en onze eigen fouten niet met een veel welwillender oog te beschouwen dan die van een ander, zoals we altijd automatisch doen. We moeten even kritisch naar onszelf kijken als naar de ander. En als ons dan de schrik om het hart slaat wanneer we zien hoe weinig echt we God en de naaste liefhebben en hoe ver we nog verwijderd zijn van wat God van ons verlangt, dan mogen we toch op Zijn barmhartigheid vertrouwen wanneer we Hem om genade smeken.

De tweede zondag, van de Verloren Zoon, die we eigenlijk nog eerder de parabel van de Barmhartige Vader zouden kunnen noemen, komt er nog een nieuw element in de Avonddienst: de onvergetelijke melodie van psalm 136, Aan de stromen van Babylon... Heel het menselijk verlangen naar bevrijding uit de knellende banden van onze beperktheid, is reeds drieduizend jaar geleden door de psalmdichter in de mond gelegd van de naar Babylon versleepte bannelingen, die treuren over het verloren Jerusalem. Hoe prachtig en meeslepend is dit door Bortnianski op muziek gezet. Wanneer je dit eenmaal hebt horen zingen, raakt het nooit meer uit je herinnering los. Als een teruggevonden schat ontmoeten we deze hymne elk jaar weer in de Metten van de Voorvastentijd. En hoe diep doorvoeld past het op het thema van deze dag, van de Verloren Zoon. Welk een verscheurend heimwee moet hem bevangen hebben toen hij na een eindeloze feesttocht tot diepe armoede geraakte. En Christus verhaalt ons hoe hij met angst en beven de weg naar huis inslaat, maar dat zijn vader al klaar staat om hem met jubel te ontvangen, tot verontwaardiging van de andere zoon, die altijd bij zijn vader is gebleven.

Eigenlijk kunnen wij deze verontwaardiging levendig meevoelen. Ook hier staat onze natuurlijke sympathie aan de zijde van de oudste zoon, die braaf bij zijn vader thuisgebleven is, en die nog een stuk van het werk van de weggelopen jongste zoon heeft mogen opknappen. Maar dat is een vanzelfsprekende verplichting, terwijl er van de terugkeer van die doordraaier een hele heisa wordt gemaakt.

Maar uit de hele gang van het verhaal blijkt weer waar de sympathie van Christus ligt. En wanneer we bij Christus willen behoren, dan zullen we onze vanzelfsprekende kijk op de wereld moeten veranderen, we zullen onze mentaliteit moeten omkeren, we zullen ons moeten “be”keren. Jaloezie en verontwaardiging zullen plaats moeten maken voor vreugde en dankbaarheid. Veroordeling moet vervangen worden door begrip. Ons afgestoten voelen moet omgezet worden in meegevoel, dat weer groeien moet tot liefde.

De volgende vrijdagavond is er de grote Gedachtenis van de overledenen, de orthodoxe versie van het westerse Allerzielen, dat bij ons echter enkele malen per jaar wordt gevierd. Het gaat dan niet alleen om onze eigen geliefden, maar om de gestorvenen van heel het mensengeslacht. Wij zijn weer terug in de schoot van Adam, de eerste mens, en zien terug op dat ogenblik dat wij in de wereld gekomen zijn. Op schitterende wijze wordt dit onder woorden gebracht in het Vesperlied van de heilige Joannes Damaskenos:

Mijn oorsprong en wezen is Uw scheppend bevel: Gij hebt mij uit zichtbare en onzichtbare natuur tot één enkel levend wezen gemaakt. Uit de aarde hebt Gij mijn lichaam genomen, maar mijn ziel ontstond door Uw goddelijke en levendmakende adem. Laat daarom Uw dienaren rusten, Verlosser, in het land der levenden, in de tenten der rechtvaardigen.

Ook in de Canon worden we getroffen door dit diepe meevoelen met het ongeluk van onze sterflijkheid. Het is te veel en te mooi om het hier na te vertellen: kom het beleven!

Door dit alles dringen we steeds verder door in de diepe ernst van het aardse leven. Op een heel natuurlijke wijze vieren we de volgende avond de derde zondag, de Zondag van het Laatste Oordeel. Het gaat om heel ons toekomstig bestaan! Daar denken we nogal gemakkelijk over: het is zo ver weg en we weten er zo weinig van. Maar Christus’ woorden laten weinig ruimte voor twijfel, Hij spreekt een heel duidelijke taal. De lange jaren van ons aardse leven zijn slechts de korte voorbereiding tot een leven in de oneindigheid. Alles wat ons op aarde zo belangrijk en gewichtig voorkomt, zal op ons uiteindelijke lot weinig invloed uitoefenen. Het is bijzonder verhelderend om na te denken over de criteria die Christus hier hanteert. Onze band met Hem laat Hij volledig bepalen door ons gedrag tegenover de anderen, die Hij op onze levensweg heeft geplaatst. En Hij schrikt er niet voor terug ons vrees aan te jagen wanneer wij liefdeloos gehandeld hebben. Wat kan er verschrikkelijker zijn dan op dat allesbeslissende ogenblik uit Zijn mond te moeten horen: Ga weg van Mij, vervloekten ...

De laatste week van de Voorvasten biedt een tweevoudige aanblik. Enerzijds is er de ernst, die tot uiting komt door de totale onthouding van vleesspijzen. Maar daarnaast is er de vreugde van de goede voornemens waarmee we de komende boetetijd beginnen, en die we vieren door te genieten van de kostelijke spijzen die straks in de Vasten zijn uitgesloten. De Kerk ziet niet minachtend neer op onze kinderlijkheid, maar gebruikt deze, zodat wij opgewekt de tijd van de volle ernst zullen binnengaan, die voor velen toch een zware beproeving betekent.

Daarom heeft ook iedere dag van deze week een eigen officie, vaak met verrassende bijzonderheden. En om ons te bemoedigen en te laten zien dat het niet de menselijke krachten teboven gaat, zingen we op vrijdagavond de Dienst van de grote Asketen uit de woestijn, als vertegenwoordigers van de talloze duizenden Geweldenaars van het Koninkrijk, waarover Christus spreekt.