Orthodox Klooster van de Heilige Johannes de Voorloper

Zondag van het Laaste Oordeel

Met de zondag van het Laatste Oordeel hebben we een hoogtepunt van de Voorvasten bereikt. Het gaat nu om de meest-wezenlijke dingen: onze toekomst, ons eeuwig lot. Ineens wordt de beperktheid van ons aardse leven zichtbaar, de uiteindelijke onbelangrijkheid van wat ons nu nog zo overheersend gewichtig voorkomt. In een geweldig visioen wordt de Wederkomst van Christus onder woorden gebracht, zoals Deze dat Zelf reeds gezegd had. De absolute Rechter van hemel en aarde, gezeten op de troon der goddelijke Heerlijkheid, terwijl een rivier van vuur aan Zijn voeten stroomt. De eindeloze scharen der Engelen staan in het rond, in de luister van hun heerlijkheid. Vol schrik wachten de mensen om hun vonnis te ondergaan, dat af zal hangen van hun daden en hun geheime drijfveren. Want, zoals Christus Zelf gezegd heeft, Hij zal een absolute scheidingslijn trekken tussen de geredden en de verstotenen, “zoals een herder de schapen van de bokken scheidt”.

Alle gedachten van de voorafgegane weken worden weer opgeroepen in de Diensten van de nu volgende week. Door dit bijeenbrengen ontstaan vaak geheel eigen accenten, terwijl steeds meer gewezen wordt op de komende Vastentijd, als middel om ons in de juiste gesteldheid te brengen. Begeerte heeft ons naakt gemaakt, bitter genot heeft ons ten val gebracht. Laat ons omkeren, de ons bestrijdende zintuigen reinigen, ons overgeven aan het Vasten. Ons hart hoopt op genade, niet op spijs, nutteloos voor het ware Leven. Onze maaltijd is het Godslam in de lichtende Nacht van de Opstanding. Want Het is voor ons als offer geslacht in de avond van het grote Mysterie, en het verdrijft het duister der onwetendheid door het stralende Licht van de Opstanding.

Een van de oudste grondgedachten van de Vastentijd is, dat die veertig dagen de aan God verschuldigde Tiende zijn voor de dagen van het jaar. Deze vormt als het ware de belastingheffing, waardoor wij God erkennen als onze Schepper en Heer. Daarnaast worden we met grote aandrang uitgenodigd om door barmhartigheid en menslievendheid voor hen die gebrek lijden, ons een bruiloftskleed te verwerven om toegang te krijgen tot het beslissende Bruiloftsmaal, doordat wij onze lampen voorzien hebben van olie, zoals de Wijze Maagden. Telkens wordt gesproken over de vreugde van het Vasten, als de door God bij uitstek geschonken gelegenheid aan onze bekering te werken. Zo maken we ons rein voor de goddelijke Voetwassing op de Sion, welke ons brengt tot de voleinding van het Pascha. De Martelaren worden ons tot voorbeeld gesteld, die zulk een schone ruilhandel hebben bedreven: zij hebben hun bloed gegeven maar daarvoor het eeuwige Koninkrijk gewonnen. Een tijdelijk lijden brengt hun een eeuwige vreugde; het vergankelijke wordt geruild voor wat nimmer verloren kan gaan.

Maar ook wordt reeds gewaarschuwd dat het niet gaat om de handeling zelf van het vasten, maar om de gezindheid welke dit in ons moet opwekken. De bidder spreekt zichzelf toe: Zo ge u wel van spijzen onthoudt, mijn ziel, maar niet van uw hartstochten, dan beroemt ge u vergeefs op uw vasten; want als dit niet dient tot verbetering, dan wordt ge door God beschouwd als een leugenaar, gelijk aan de demonen die immers nooit eten. Toon dat uw plaats is naast de gekruisigde Verlosser: laat u medekruisigen met Hem die om u gekruisigd werd; en roep Hem toe: Gedenk mijner, o Heer, als Gij gekomen zijt in Uw Koningschap.

Een heel bijzondere Dienst vieren we voor de Asketenzaterdag. Talloze helden uit de eeuw van de grote Woestijnvaders worden bij name opgeroepen, met enkele kenmerkende woorden. Hun leven was vroeger aan alle christenen bekend: de beroemde Vaderspreuken vormden eeuwen lang de geliefde lektuur van de christenen in Oost en West. Deze avonddienst is als het ware een vriendenbijeenkomst, waarbij iedere nieuwgenoemde met blijde herkenning wordt begroet. En we treden weer binnen in de sfeer van de eerste eeuwen, toen Christus’ Bloed nog warm was op de aarde. In de eeuwen van de vervolging was het een waagstuk om christen te zijn, elk ogenblik kon je je leven verspelen. In elk geval kon je de gewone verwachtingen van een gemakkelijk leven, met geregelde promotie, wel uit je hoofd zetten: als christen werd je gediscrimineerd en je moest al tevreden zijn wanneer je niet gefolterd werd of zelfs ter dood gebracht op een allerafschuwelijkste manier. Er was werkelijk moed nodig, en een heel levendige liefde voor Christus, om al die risico’s te lopen.

Maar in de 4e eeuw had keizer Konstantijn de overwinning behaald over zijn rivalen, en had een einde gemaakt aan de vervolgingen. Het begon nu zelfs maatschappelijk voordelig te worden om christen te zijn, en het volk stroomde in massa toe tot de Kerk. Onherroepelijk wijzigde zich nu de atmosfeer. De Kerk, die eerst een verbond was van helden die alles over hadden voor hun overtuiging, werd nu een vereniging van alledaagse mensen, met alle kleinheid, beperktheid en Streberei die daarmee verbonden zijn. De vurigen, die nu nog toetraden of opgroeiden in dit meer bescheiden christendom, zochten een manier om die volkomen toewijding uit het tijdperk der Martelaren te bereiken; en daarin ligt mogelijk de verklaring van de opkomst van het monnikdom, juist in deze eeuw. Het christen-zijn werd weer een radikale omkeer, het zich losmaken van de wereldse gang van zaken om heel het leven in te richten volgens de nieuw verkregen status van “kind-zijn van God”, met aanvaarden van alle consequenties die daaraan verbonden zijn. En wij, alledaagse christenen, herdenken hen in dankbare vreugde, en pogen ons op te trekken aan hun voorbeeld.

De nu volgende Vergevingszondag en de week van de Boetecanon is vorig jaar besproken: hoe door de schuld van de mens het aards paradijs verloren is gegaan. We schuiven wel graag de schuld op die slappe Adam en die beroerde Eva, die zich heeft laten meelokken door de slang en ook nog haar man heeft meegesleept. Maar wanneer we nadenken dan weten we dat het om onze eigen kleinheid en miezerigheid gaat. Als we ons leven zouden inrichten volgens Gods opdracht, wanneer onze liefde voor elkander even groot zou zijn als onze eigenliefde, dan was de aarde een paradijs, hoe de uitwendige omstandigheden ook zouden zijn. In elk goed gezin, waarvan de leden echt van elkander houden en alles voor elkander over hebben, vinden we iets van dat paradijs. Die liefde kan zich ook uitbreiden tot de medeleden van een groep die door een gemeenschappelijk ideaal wordt bezield. Ook daar vinden we opnieuw een weerspiegeling van dat paradijs. Dan wordt het zoals in de Handelingen der Apostelen staat over de eerste christenen: Allen die het geloof hadden aangenomen, sloten zich aaneen en zij hadden alles gemeenschappelijk. Zij verkochten hun bezittingen en goederen en verdeelden die onder allen naar ieders behoefte. Ook waren zij dagelijks eendrachtig in de Tempel bijeen, en zij braken het Brood in hun huizen, terwijl zij hun voedsel genoten in blijdschap en in eenvoud van hart. Zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Heer voegde dagelijks hen die behouden werden aan hun aantal toe.

Het vasten is als het ware een training om deze toestand te bereiken. We moeten leren ons handelen te laten richten door de juiste drijfveren, zoals we nu eten, niet allereerst omdat het lekker is, maar wat noodzakelijk is om ons lichaam in stand te houden. Zo moet ook onze liefde uitgaan, niet alleen naar de ander die bij ons past, of “ons ligt”, doch naar allen die door God op onze weg zijn geplaatst. Natuurlijk is er ook plaats voor vriendschap, maar dat is niet de zaak waar het in Christus’ gebod over gaat; het is een daarbij komende gift die het leven blij maakt als een heerlijke vrucht of als de lieflijke geur van een bloem.

De 28e februari gedenken we de MARTELAREN VAN ALEXANDRIË. Dit waren de christenen die voor de vervolging uit de stad gevlucht waren, maar toen daar een hevige pestepidemie was uitgebroken, rond het jaar 260, kwamen zij uit hun schuilplaatsen tevoorschijn om ten koste van hun eigen leven de heidense pestlijders te verplegen, die uit angst voor besmetting volkomen hulpeloos in hun huizen of op de straten waren achtergelaten. Zij verzachtten het lijden tengevolge van de grote verzweringen waardoor de slachtoffers werden geteisterd en lesten hun brandende dorst. De gestorvenen die uit de huizen op straat waren gedeponeerd, tilden zij op om ze te begraven. Tijdens dit liefdewerk werden velen van hen eveneens door de besmetting getroffen, en omdat zij zo daadwerkelijk met hun leven voor Christus’ liefde hebben getuigd, worden zij als martelaren geëerd.