Orthodox Klooster van de Heilige Johannes de Voorloper

God is Heer, en Hij is ons verschenen

We hebben het grote feest gevierd van Theofanie, van Gods Verschijning. Laten we dan nog eens nadenken wat dit eigenlijk betekent, want het gaat om een begrip met een bijzonder verrijkende en ver-reikende inhoud. Want God is ons verschenen op vele manieren. God verschijnt ons, dat wil zeggen Hij komt in ons blikveld, zodra we met onze gedachten maar enigszins in de diepte gaan.

Daar is allereerst de grootsheid van de wereld om ons heen zodra we iets verder om ons heen zien. Wie wordt niet reeds geraakt door de grootsheid van het schouwspel van de stoffelijke wereld? Wanneer we de oneindig golvende oppervlakte zien van de zee, in lome kalmte of in felle storm. Wanneer we omhoog zien naar het grondeloos blauw van de hemel met zeilende wolken, of het dreigende donker van orkaan en onweer. Wanneer we voor het eerst echte bergen zien of de stralende sterren-hemel van een heldere nacht. Dan roert zich iets in onze ziel, we beleven een diepe vreugde, en wanneer we ons niet moedwillig afsluiten, zien we iets van de grootheid van de Schepper. Hij verschijnt ons, maar nog gesluierd. Het is de aankondiging van een ontmoeting maar nog niet de ontmoeting zelf.

Bij deze ervaringen werd onze aandacht getrokken door het buitengewone, het niet-alledaagse. Maar we kunnen onze aandacht ook bewust richten op de dingen om ons heen. Zodra we dit doen, niet met oppervlakkige nieuwsgierigheid maar daarbij onze innerlijke ogen openen om verder te zien dan de buitenkant, dan is er reeds een ontmoeting op hoger niveau. Een aan Christus toegeschreven gnostieke uitspraak luidde: Hef de steen op, en je ziet God. Want alle dingen maken deel uit van Zijn schepping, we zien dan daarin de kracht en de liefdevolle toewijding van Zijn hand.

Een stap verder is het op deze wijze zien van het wonder van de levende natuur. Hoe meer we ervan te weten komen des te wonderbaarlijker is de scheppingskracht, de diepe intelligentie en de verbeeldingskracht die we daarin ontmoeten. Er wordt heel gemakkelijk losjesweg beweerd dat het maar een samenspel is van toeval en natuurkrachten, maar geloven we dit echt? Dat het leven zich ontplooit door een opeenstapeling van kleine mislukkingen in de voortplanting, waarbij gelukkige toevalsresultaten een nieuwe soort vormen? Een mens dus als eigenlijk een mislukte bacterie? Wanneer we zonder vooringenomenheid toezien, dan beleven we ook daarin een ontmoeting. In al wat leeft en in ons eigen lichaam zien we iets verschijnen van het goddelijke, van de Geest Die levend maakt, Die leven schept en leven schenkt.

Nog meer zien we wanneer we onze aandacht richten op het innerlijk van de mens. Het feit dat we niet slechts kunnen waarnemen zoals ook de dieren dat doen, maar dat we die waarnemingen in een groot verband kunnen brengen, dat we er gevolgen uit kunnen afleiden, dat we voorspellingen kunnen doen doordat we een dwingend verband ontdekken tussen oorzaak en gevolg, dat we de natuurwetten kunnen manipuleren en daardoor invloed uitoefenen op onze levensomstandigheden en zelfs door kunnen dringen in de vijandige ruimte buiten de aarde. We zien dan des te duidelijker hoe de aarde de moederschoot is die ons heeft voortgebracht en in leven houdt, en die wij op onze beurt moeten beschermen tegen onze neiging om ons als parasieten te gedragen, opdat we niet als ziektekiemen te gronde moeten gaan, samen met het lichaam dat ze hebben vermoord. We beginnen iets te zien van dat wonderbare geheel van de levende aarde met al haar mogelijkheden, zoals deze voortkomt uit de hand van de Schepper, en die ingebed ligt in die warme, oneindig rijke en zegen-schenkende hand.

Maar behalve een verstand bezit de mens nog zoveel meer. Waar vandaan komt toch die onvoorstelbare rijkdom aan verschillende talenten die het menselijk leven tot zulk een uniek schouwspel maken? Zij reiken veel verder dan een samengaan van bepaalde erfelijke factoren: er ontstaan geheel nieuwe, nooit gedroomde mogelijkheden. Waar komen die talenten vandaan? Het is veelbetekenend dat ons begrip talent afkomstig is uit een parabel van Christus, waarin een koning gewichten zilver, talenten, uitdeelt aan zijn dienaren.

Een geheel nieuwe dimensie bereikt ons zien, wanneer we ons richten op de verhoudingen tussen de mensen. Het glorieuze leven kent naast de heldere zijde ook een duistere. Veel leven bestaat ten koste van ander leven. Er bestaan allerlei natuurverschijnselen, die zowel individueel als in grote gebieden tot zware rampen kunnen leiden. Maar bij de mens verdiept de schaduw zich tot een afgrond: Naast de tegenwoordigheid van God, zien we nu ook Zijn afwezigheid, Zijn afgewezen worden. We worden rechtstreeks geconfronteerd met een vijandschap, die reeds veel eerder waarneembaar was, maar die nu in zijn naakte afschuwelijkheid voor onze ogen staat: de strijd die er is tussen goed en kwaad, tussen God en satan. Door heel die heerlijke werkelijkheid loopt een diepe scheur, een moordende tegenstelling tussen schoonheid en wanstaltigheid, tussen opbouw en vernielzucht, tussen liefde en haat. Naast de goddelijke overvloed zien we nu de menselijke armoede. Wij, mensen, die tot zoveel in staat zijn, worden tegelijk een speelbal van krachten die we niet kunnen beheersen. De ongerepte zuiverheid van het eerste begin is onherstelbaar verdwenen. Geluk wordt weggevaagd door wanhopig verdriet. We branden van verlangen naar liefde en tegelijk beschadigen we elkander op de pijnlijkste manier.

Bij eerlijke beschouwing zien we dat de mensheid niet zozeer in twee tegenover elkaar gestelde kampen is verdeeld, maar dat ons eigen wezen uiteengescheurd wordt door die kloof tussen goed en kwaad. We verlangen om goed te zijn, maar het kwade ligt zoveel dichter voor de hand. We worden zo pijnlijk getroffen door de onvolkomenheden van de ander dat we niet in staat zijn om te zien wat wij zelf de ander aandoen. Ons binnenste schreeuwt om verlossing.

Daarop komt een antwoord. God verschijnt op een wijze die elke menselijke verwachting geheel en al te boven gaat. Hij neemt niet de gestalte aan van een mens, Hij wordt mens, volkomen mens, vanaf het microscopisch kleine begin in het lichaam van een vrouw, tot het geboren worden als een hulpeloos kind, totaal afhankelijk van de daaraan bestede zorgen. Reeds wordt de tweezijdigheid van het bestaan in scherpe omtrekken zichtbaar. Zijn Geboorte wordt opgeluisterd door koren van Engelen en de komst van de Wijzen uit het Morgenland. Maar tegelijk is er de misdadige Herodes die alle jonge kinderen uit de streek laat ombrengen om een eventuele toekomstige concurrent uit te schakelen. God laat dit kwaad geschieden, zorgt er alleen voor dat het zijn doel mist door Josef te waarschuwen, zodat hij met zijn gezin kan vluchten. Zijn jeugd brengt Jesus van Nazareth door als ieder ander mensenkind, met als uitzonderingen de herkenning door Simeon en Anna bij de Opdracht in de Tempel, en later de discussie met de Wetgeleerden bij Zijn eerste pelgrimstocht naar Jerusalem, toen Zijn zelfbewustzijn zich een ogenblik tegen Zijn ouders opstelde. Dertig jaar duurt deze stille tijd van voorbereiding, waarbij Hij naar de mate van Zijn opgroeiende krachten deelnam aan het werk van Zijn vader: Hij was de zoon van de timmerman.

Maar toen greep Hem het profeten-lot. Hij meldde Zich bij de vereerde Profeet Joannes, die bekering predikte en hen die hun leven wilden omkeren, doopte in de Jordaan. De geest van Joannes springt op bij het erkennen van de verhevenheid van Wie daar nadert, zoals hij eens was opgesprongen in de moederschoot toen de Ander, nog ongeboren, tot hem naderde. Hij verzet er zich tegen om Hem te behandelen als een boeteling, maar Jesus houdt vol, want dat was juist wat Hij wilde: zonder enige beperking deel hebben aan het mensenlot, om alle gerechtigheid te vervullen.

Op het ogenblik van die zelf gekozen vernedering gebeurt de grote Openbaring, de Godsverschijning. De stem van de Vader roept Hem uit tot Profeet als Zijn diep-beminde Zoon. En dit wordt bekrachtigd door de zichtbare nederdaling van de Goddelijke Geest. Dit is het plechtige moment waarop de ene God Zich openbaart als Drie-persoonlijke God. Het is het begin van het openbare leven van de nieuw-Geroepene. In de stilte van de woestijn, lichamelijk geheel verzwakt door een absolute vastenperiode van veertig dagen, ontrolt zich het voorspel van de strijd met het kwaad, een strijd die later met vernietigende hevigheid zal uitbarsten en Hem de folterdood injaagt, welke Zijn uiteindelijke overwinning zal blijken.

Het gehele leven van Christus is de eigenlijke Godsverschijning, waarvan we enkele hoogtepunten vieren in de loop van het kerkelijk jaar. Maar voor ieder van ons is Zijn verschijning in onszelf van het hoogste persoonlijke belang: dat wij Hem in ons leven hebben ontmoet, op een voor ieder van ons verschillende wijze. We hebben ogenblikken gekend dat we Hem hebben gezien in ons hart, dat we Hem hebben erkend als antwoord op ons diepste verlangen naar puurheid, naar ongereptheid, naar schoonheid, naar volheid van wezen en betekenis. Dan resoneert in ons het woord van Petros: Heer, tot wie anders zouden we moeten gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven. Dan kunnen we reeds met de Psalmist zingen: Hij is ons verschenen. En heel ons verdere leven is er om ieder van ons tot een levend deel te maken van Zijn Theofanie, waarin de zin van het aardse bestaan belichaamd wordt.