Orthodox Klooster van de Heilige Johannes de Voorloper

De Eucharistische Canon van de Basilius-Liturgie

De Eucharistische Canon van de Basilius-Liturgie is een van de meest indrukwekkende liturgische scheppingen. Deze is nog in de volle zin van het woord Eucharistia, een hymnische dankzegging aan God, een dankzegging die binnen het beperkte kader van een gemeenschaps-Dienst al-omvattend poogt te zijn.

Het begin is dus een plechtige aanroeping van God tot wie wij ons immers richten. God wordt aangesproken als de Zijnde, de totaliteit omvattende naam die God Zichzelf geeft wanneer Hij tot Moses spreekt. Daaruit volgen de andere titels zoals Meester, Heer en Vader, de meest voor de hand liggende eigenschappen van God. Deze zijn reeds voldoende om het noodzakelijk te maken dat wij Hem loven, bezingen, aanbidden, danken en verheerlijken, Hem onze verstandelijke eredienst bewijzen, ons logos-offer opdragen.

Dit laatste begrip is min of meer het kenwoord van deze Canon. Het maakt een scherpe tegenstelling tussen de christelijke eredienst en de in zwang zijnde godsdienstige praktijken, waarbij altijd een levend wezen, of een ander stoffelijk bezit geofferd werd. De christenen wilden zich scherp bewust maken van de totale werkelijkheid in de hand van God, en dit besef in dankbaarheid onder woorden brengen. Dit was dan het offer dat zij opdroegen, onze logikè latreia, of thusia, onze verstandelijke eredienst of redelijk offer, ook wel genoemd: offer van lof of logos-aanbidding.

Oorspronkelijk gebeurde dit in een vrije improvisatie door een van de aanwezige broeders die zich daartoe gedrongen voelde. In de wekelijkse bijeenkomsten werd het langzamerhand een van de broeders die daarvoor een bijzondere gave hadden ontvangen, de profeten. Wanneer dezen hun enthousiast inzicht niet zo gauw onder woorden konden brengen, uitten zij zich in onverstaanbare klanken, die de anderen wel meesleepten door hun bezieling, maar waar ze toch geen rechtstreeks contact mee hadden. Het is die onmacht waarover de heilige Paulos spreekt in de beschrijving van zijn hemel-visioen, waar hij woorden hoorde die geen mensen-tong vermag uit te spreken. Maar hij zag hierin toch een ongewenste ontwikkeling en hij schreef voor dat dezelfde profeet of een ander die gedachten onder duidelijke woorden moest brengen, omdat het belangrijk was dat men zich bewust daarbij kon aansluiten door het gemeenschappelijke Amen. Maar het feit blijft bestaan dat ook het diepzinnigste mensenwoord slecht een verre en flauwe afschaduwing kan zijn van de goddelijke werkelijkheid die erdoor wordt aangeduid.

Doordat de grote, centrale gedachten vanzelfsprekend steeds weer uitgesproken werden, zij het in verschillende combinaties, begonnen de profeten een vast schema te ontwikkelen, bepaald door de vorm die zij zelf het meest geslaagd vonden, of die de meeste indruk op de anderen had gemaakt. Zo ontstonden er een aantal gebeds-formulieren, of Canons, waarvan de meeste echter op den duur in onbruik zijn geraakt. Slechts enkele zijn bewaard gebleven:
  de Clemens-Liturgie, uit het achtste boek van de Apostolische Constituties;
  de Jacobus-Liturgie, soms nog gebruikt in Jerusalem en Palestina;
  de Markos-Liturgie, in het patriarchaat Alexandrië en in Venetië;
  de Chrysostomos- Liturgie, die dagelijks gevierd wordt in heel de Kerk;
  de Basilius-Liturgie, voor de Vasten-Zondagen en de grootste Vigilies.
Deze namen zijn verbonden met de bekendste Heilige die de betreffende Liturgie heeft gebruikt, of er de uiteindelijke vorm aan heeft gegeven.

De Basilius-Liturgie heeft inderdaad wel het karakter van de grote Basilius, de man van zulk een machtige welsprekendheid en tegelijk diepe gedachten. De omvang is groot, maar eigenlijk toch te klein voor de veel-omvattende inhoud, waardoor deze canon op het eerste gezicht of gehoor een moeilijke indruk maakt. Het doet een beetje denken aan de hierboven genoemde profeten: het klinkt meeslepend enthousiast maar het is niet altijd even begrijpelijk, of het lijkt op een willekeurige opsomming. Dat komt omdat dit gebed zich richt tot bewuste christenen, die actief hun christen-zijn beleven en zelf nadenken over de rijkdommen die wij door Christus hebben verkregen. Dan roept elk, of tenminste een aantal van die woorden, een herinnering wakker waardoor onze geest getroffen wordt als door een zonnestraal, die in een flits de schoonheid van een groots landschap voor ons openlegt. Vooral wanneer wij die woorden als het ware terug-vertalen naar de veel vollere en onzegbaar heerlijke werkelijkheid waarvan deze woorden ons een vermoeden willen geven.

Na de inleidende woorden, waarin ook hij zijn onmacht erkent, richt Basilius zich weer tot God als de Schepper van alles wat bestaat, zowel in de materiële als in de onstoffelijke werkelijkheid, en Die daarover onbeperkte heersersmacht bezit. Hij is aan geen enkele beperking onderworpen: Hij is niet onderworpen aan het verloop van de tijd, waardoor de gehele wereld zo onherroepelijk wordt beheerst; Hij gaat ons aards bevattingsvermogen volkomen te boven; Hij kan door geen menselijke definities onder woorden worden gebracht; Hij kan niet rechtstreeks worden waargenomen omdat wij onder het geweld van deze ontmoeting zouden bezwijken alsof we in aanraking zouden komen met het binnenste van de zon.

Tegelijk is deze in absolute eenheid bestaande, levende God, ook een Vader. Hoe vreemd ons dat ook in de oren mag klinken, Hij heeft een Zoon, een zeer-beminde Zoon, in Wie Hij welbehagen heeft. Dit feit werpt heel ons menselijk Gods-begrip volkomen omver: het druist in tegen alles wat wij over de absolute Schepper en Heer van het heelal kunnen uitdenken, al graven we nog zo diep. Het lijkt een absolute onmogelijkheid, een contradictio in terminis, iets wat zichzelf tegenspreekt.

Maar wanneer wij erkennen dat we zelfs in het gewone aardse leven zoveel ervaren dat ons begrip te boven gaat, en onze tegenwerpingen opzij zetten en geloof hechten aan wat God ons te zeggen heeft, dan opent zich voor ons een volkomen nieuwe dimensie in het bestaan. God is niet slechts het grote Feit op Zichzelf, God is een Gemeenschap. Binnen God heersen betrekkingen. Binnen God is er een onzegbare Liefde. Een beminnen dat zo intens is, zo alles-omvattend, zo vlammend en alles-verterend, dat de God-schouwer of theoloog Joannes zal zeggen: God IS Liefde.

Zulk een liefde blijft niet opgesloten tussen twee of drie Personen, al omvatten Dezen de oneindigheid, maar wil zich uitbreiden daarbuiten. Hier begint voor ons iets te dagen van de innerlijke drijfveer in God waardoor de schepping tot stand is gebracht. En hoe meer de zich ontwikkelende wetenschap laat zien hoe grandioos deze schepping is, in afmetingen en diepte en tijd, hoe meer wij daardoor iets gaan vermoeden van de grootheid van Hem Die de Schepper is.

Maar die grandioze schepping is slechts het begin van de liefde-werking. In die schepping komt op onze aarde het leven tot ontwikkeling. Het lijkt wel een experiment op kleine schaal, want tot nu toe is nog nergens ander leven ontdekt. Maar wat er in dit kleine bestek, in dit uithoekje van de kosmos gebeurt, heeft een groter innerlijk gewicht dan heel de rest van de eindeloze schepping. Het is een experiment van miljarden jaren, waarin het leven uitwaaiert in een uitbundige fantasie van verschijningsvormen. En tenslotte beleven wij de onvoorstelbare mogelijkheid van denkende stof, de mens. Dit experiment beslaat slechts een miniem stukje van de voor ons begrip toegankelijke tijd, maar hoeveel is er in die kleine tijdspanne gebeurd!

Het is alsof de Liefde groeit met de toenemende spanning in deze fase van de schepping, want de Zoon van God, Die zo geheel één is met de Vader, is Zelf die schepping binnengetreden, niet slechts als Degene Die de schepping in stand houdt, maar als levend onderdeel daarvan, als Mens, juist zoals wij. En Hij leeft onder de mensen en getuigt in woord en daad dat Hij dit doet om ons tot mede-kinderen te maken van Zijn eigen Vader.

En die Mens-geworden Liefde groeit en groeit boven alle mensen-maat, en geeft Zichzelf over aan het bitterste mensenlot van onbegrip, versmading, verraad en folterdood. Om tenslotte op te staan uit de dood en zo de weg te bereiden voor een volgende fase van het mensen-leven, door de dood heen in een onstoffelijke werkelijkheid, en misschien in de toekomst ook op een hernieuwde aarde. Maar reeds nu schenkt die Liefde ons die onpeilbare Gave van Zijn Vlees en Bloed als spijs en drank in een geheimvolle eredienst die wij volgens Zijn opdracht nu samen gaan vieren.

Dat zijn de huivering-wekkende Mysteriën waartoe wij opgeroepen worden door deze Eucharistische Canon van de heilige Basilius. Maar om deze schoonheid ten volle te genieten moeten we ons eerst met deze woorden vertrouwd maken door ze tevoren aandachtig te lezen in ons Liturgikon, op de wijze die hierboven is aangeduid. Dan wordt de zondagse Vasten-dienst een feest, niet alleen door de schoonheid van de juist voor deze tijd bewaarde melodieën, maar vooral door de geestelijke rijkdommen die ons daarin voor ogen worden gesteld. Tegelijkertijd krijgt elke zondag een geheel eigen glans door de bijzondere onderwerpen die dan worden gevierd.

Door deze gebeden, en door de inspanning van het vasten, maken we ons gereed voor de grote beleving van de Heilige Week, voor het Lijden, de Dood en de Opstanding van onze beminde Heer, Die in alles onze Broeder wil zijn.