Orthodox Klooster van de Heilige Johannes de Voorloper

Ons geslachtofferd Pascha

Ons Pascha, Christus, is geslachtofferd; Laat ons feest vieren, niet met het oude zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongedesemde van reinheid en waarheid.(1 Kor. 5:8)

In deze paar zinnen van de Apostel is op kernachtige wijze samengevat hoe wij de Opstanding van Christus behoren te beleven. Het is alleen werkelijkfeest wanneer het ook in ons eigen leven tot een opstanding komt. En dat is geen eenvoudige zaak; want dat oude zuurdeeg is niet de gist uit een zakje, maar het zuurdeeg waar ons leven in feite van doortrokken is. Het is een levend deel van onszelf, en Christus spreekt erover in heel radicale bewoordingen: Wanneer uw oog u tot zonde brengt, ruk het uit; en even scherp zegt Hij het over onze andere leden: Houw ze af. Hier is Hij wel het tegendeel van een zachte heelmeester.

Hij zegt het ook nog op een andere manier: Tenzij iemand opnieuw geboren wordt uit water en Geest, kan hij niet ingaan in het Koninkrijk Gods. Christus spreekt hier over de Doop als een nieuw geboren worden, maar dat betekent in feite het volledig afwerpen van de daaraan vooraf-gaande mens. Dit wordt heel duidelijk uitgebeeld door de handeling van de Doop: het volledig onderdompelen, dus verdwijnen, en dan weer opduiken in naam van de volheid van Gods Wezen als Vader, Zoon en Heilige Geest. Hier zien we wederom de eigenlijke zin van Pascha: sterven ter wille van de opstanding.

We hebben de Grote Vasten doorleefd om ons weer bewust te maken van deze basis-feiten van het geestelijk leven. We hebben vrijwillig aan ons lichaam onthouden waar het zo naar verlangde, om er onszelf van bewust te maken dat de waarde van het menselijk leven niet bestaat in het zich lichamelijk zo prettig mogelijk te voelen. We hebben onze gedachten gericht op het weidse perspectief van de geestelijke schoonheid, die ons op zo afwisselende wijze voor ogen is gesteld.

Daar was eerst de Grote Canon van Andreas van Kreta, waarin wij geconfronteerd werden met een veelheid van kleurrijke persoonlijkheden uit het Oude en Nieuwe Verbond, om daaraan ons eigen leven te toetsen volgens goed en kwaad. Het ikonen-feest van de Zondag der Orthodoxie leerde ons hoe de geestelijke schoonheid voor onze aardse ogen zichtbaar kan worden op zulk een wezenlijke wijze, dat ontelbaar velen daaraan hebben vastgehouden, ondanks het bruutste geweld dat hun eeuwen lang werd aangedaan om de ikonen-verering uit te roeien. Het herdenken van telkens weer nieuwe groeperingen van Heiligen leerde ons hoeveel mensen deze schoonheid in hun leven hebben doen stralen. Zij gebruikten geweld tegen zichzelf maar deden dit met vreugde omdat zij zichzelf voorhielden welk een prijs daarmee te behalen was. Zij volgden Christus’ raad: alles te verkopen om de kostbare parel in bezit te krijgen. Het Koninkrijk der hemelen lijdt geweld, en die het geweld aandoen, trekken het tot zich (Mt. 11:12).

Naarmate we het einde van de Vastentijd naderen, zijn we voorbereid om ervan te genieten dat de aandacht steeds meer verschuift van onszelf naar de persoon van Christus. Op bijzondere wijze komt dit tot uiting in de vijfde week. Het gemeenschappelijk thema voor de gezangen wordt gegeven door Christus’ parabel over Lazaros en de Rijke, met daarin de tot ons gerichte persoonlijke boodschap. Maar tegelijk wordt steeds meer het uitzicht geopend op Lazaros, de zieke vriend van Christus die dezer dagen sterft, en dan zaterdag op zulk een dramatische wijze tot leven wordt gewekt.

Dan is er nog éénmaal een triomfantelijk hoogtepunt: de Intocht in Jerusalem op de nog nooit bereden jonge ezel, omstuwd door een juichende menigte. Maar deze in feite vrij armzalige demonstratie, brengt toch alle tegenstanders bij elkaar en het besluit valt dat het nu maar eens afgelopen moet zijn met dat gevaarlijke gedoe. De eigen voorrang moet gehandhaafd blijven, met onverschillig welk middel en met zo weinig mogelijk persoonlijk risico. Dat komt dus neer op nachtelijk gekonkel, het infiltreren in de apostel-kring, en het wegschuilen achter de brede rug van de Romeinse bezettingsmacht.

Christus is hierover bedroefd maar laat er Zich niet door beïnvloeden: Hij vervolgt zonder aarzelen Zijn door de Vader bepaalde weg, wat Hem dat ook zal kosten, en hoe fataal ook het einde naderbij komt. Hij gaat Zijn aardse leven afsluiten door een daad van zulk een diepe innigheid, dat wij die na zoveel eeuwen toch elk jaar weer met verrukte huiver mee beleven. Het is de avond voor de Grote Donderdag. Nog ééns verzamelt Christus Zijn vertrouwelingen om Zich heen voor de Pascha-maaltijd, waarvan Hij wist dat het Zijn galgemaal zou zijn: het “Laatste Avondmaal”. Hij houdt Zijn grote afscheidsrede, doorgloeid van zulk een liefde voor de Zijnen van alle tijden, dat we zouden willen wenen van innerlijke blijdschap en dankbaarheid. En waar Hij reeds lang geleden over gesproken had, brengt Hij nu ten uitvoer: Hij geeft ons Zijn Vlees te eten en Zijn Bloed te drinken in de geheimnisvol veranderde spijzen van brood en wijn, tot een altijd weerkerend gedachtenis-feest van diepste werkelijkheid.

Maar temidden van deze innerlijke vreugde is er het bittere bewustzijn van het aansluipend verraad. Christus stuurt Judas weg, maar het moet toch als een zware last op Zijn ziel hebben gedrukt. Vooral later in de nacht, toen de inspiratie van het laatste samenzijn vervlogen was, en Hij naast de inslapende apostelen zo volkomen alleen was in de olijven-hof. Op het bitterste ogenblik van Zijn leven, toen Hij als mens snakte naar een vriend, moest Hij dit gebrek aan interesse constateren bij hen met wie Hij zo nauw had samengeleefd, en met wie Hij Zijn innerlijke rijkdommen had gedeeld, en voor wie Hij Zich steeds zo bezorgd had betoond. Als zij reeds zo weinig meeleven konden opbrengen, hoe moest het dan wel gaan met de anderen, voor wie Hij toch ook gekomen was, en die zo veel verder van Hem verwijderd waren. Hoe zinloos moet alles wat Hij op Zich ging nemen Hem voorgekomen zijn in dit uur van verschrikking. En Hij smeekt tot de Vader Die Hem toch Zijn geliefde Zoon had genoemd. Maar Hij krijgt geen antwoord. En het angstzweet werd als dikke druppels bloed die op de aarde vielen (Lk. 22:44).

Dan volgt heel het trieste verhaal van de gevangenname na de verraders-kus, de vlucht van de doodsbange leerlingen, de verloochening door Petrus, het spot-proces, de foltering en de kruisiging. Bij het kruis stonden tenminste Zijn moeder en de leerling die Hij liefhad, evenals Maria Magdalena en andere vrouwen die tot Zijn gezelschap behoorden. Zelfs temidden van die vlammende en alles overschreeuwende pijn van de kruis-foltering, drong dit tot Hem door, en de twee die Hij als mens op aarde het meest had liefgehad, vertrouwde Hij aan elkander toe.

Na Zijn dood gebeurde er iets dat ons nog altijd diep ontroert. Twee mannen van aanzien, Josef van Arimathea, de raadsheer, en Nikodemos, die tijdens Jesus’ leven Hem alleen maar in de nacht durfden bezoeken, gingen openlijk naar Pilatus, en vroegen het gestorven Lichaam van die Veroordeelde te mogen begraven, terwijl zij nu toch nog veel meer reden hadden om zich zorgen te maken over het bekend worden van die relatie. Hoe echt en diep moet hun verdriet zijn, hoeveel meer bleken zij van Hem te houden dan ze ooit hadden vermoed! Gold dit ook niet voor de anderen die in Zijn nabijheid hadden geleefd? Mogen wij dit ook hopen voor onszelf, die Hem zo dikwijls hebben vergeten: dat op het ogenblik dat het er op aankomt, de liefde in ons hart alle kleinheid overwint, en wij uitstijgen boven onze armzaligheid.

Er volgt een lange, lange zaterdag. Hoe zullen zij die Hem liefhadden zichzelf en elkander telkens weer hebben afgevraagd hoe dit verschrikkelijke had kunnen gebeuren! Op den duur zal er ook een gevoel van medelijden met zichzelf opgekomen zijn. Ze hadden immers heel hun leven in Zijn dienst gesteld, ze hadden alles opgegeven om bij Hem te zijn: wat moesten ze nu nog verwachten? Dan is er ook nog die onzekerheid over de zin van allerlei geheimzinnige woorden van Hem, die weer in hun herinnering terugkeerden. Wat betekenden die uitspraken over weer opstaan? Kon er nog iets gebeuren met iemand die zulk een totale nederlaag geleden had, die zo volkomen was ten onder gegaan? Zullen ze die nacht ook zo vast geslapen hebben als in de Hof?

In de vroege morgen van de zondag komen dan de verwarde verhalen van de Vrouwen die naar het graf waren gegaan voor de balseming. De apostelen zijn in tweestrijd, hun hart springt op, zou er nog hoop zijn? Ze durven er niet aan toe te geven uit angst voor teleurstelling. Petrus en Johannes gaan toch kijken en weten niet wat ze moeten denken van het ledige graf. Er komen in de loop van de dag nog meer signalen, de onrust groeit. Totdat het verlossende bericht rondgaat dat Petrus Hem zelf heeft gezien, evenals steeds grotere groepen van de Leerlingen.

Welk een bijna uitzinnige blijdschap moet hen toen overspoeld hebben! Misschien niet luidruchtig maar die hen wel als het ware binnenste buiten heeft gekeerd, alsof ze geheel andere mensen waren geworden. In het klein hebben we wel eens zoiets gevoeld wanneer een hardnekkige, stekende pijn, of een heftig onwel zijn, plotseling genezen was. Mogen ook wij er straks iets van ondervinden wanneer de paasgroet in onze oren dringt:

CHRISTUS IS OPGESTAAN!