Orthodox Klooster van de Heilige Johannes de Voorloper

De grote profeten

Tijdens Zijn aardse leven beriep Christus Zich steeds weer op de voorspellingen van de Schrift: Zoals geschreven staat... Die voorspellingen hebben een geheel eigen karakter, vaak is de profeet zich op dat ogenblik niet bewust dat hij een voorspelling doet. Het is dan iets dat je achteraf herkent als een merkwaardige samenloop van omstandigheden. Voor ons koel redenerend verstand hebben ze, elk op zichzelf beschouwd, niet altijd een grote bewijskracht, maar gezamenlijk openen zij een wijds vergezicht dat ons hart overtuigt wanneer het zich daarvoor openstelt.

De voornaamste bronnen die Christus aanhaalt zijn de Psalmen en de Profeten. Jesaja, Jeremia, Daniël en Ezechiël hebben uitvoerige geschriften nagelaten en worden daarom de Grote Profeten genoemd. Onder hen neemt de profeet Jesaja , of Isaias, wel de eerste plaats in. Sommige van zijn beschrijvingen zijn zo levendig dat het lijkt alsof hij niet vele eeuwen eerder, maar als een tijdgenoot onder de Leerlingen had geleefd. Hij is een boeteprediker die met heftige taal het kwaad aanwijst maar tegelijk ook troost biedt. Door zijn oproep tot bekering en de belofte van vergeving is hij te vergelijken met Joannes de Doper.

Jesaja beschrijft pas in het zesde hoofdstuk van zijn boek hoe zijn roeping begon met een geweldig visioen. Hij schouwde God de Heer op een verheven troon, hoog boven de Tempel die vervuld was van Zijn heerlijkheid, terwijl de troon omringd was door Serafim met zes vleugels, die elkander met donderend geluid het Trisagion toeriepen. Hij voelt dat ook hij zou moeten roepen, maar daar niet toe in staat was door de onreinheid van zijn aardse mond. Daarop neemt een van de Serafim met een tang een gloeiende kool van het Altaar, en reinigt daarmee pijnlijk zijn lippen, waardoor zijn ongerechtigheid werd weggenomen. Nu durft hij antwoord te geven op de roep van de Heer die in zijn ziel brandde, en uit het diepst van zijn hart stelt hij zich ter beschikking en roept uit: Zie, hier ben ik, zend mij. Dan wordt hij uitgezonden om de verwoesting van het land te verkondigen omdat de bewoners de Naam hebben gelasterd, en dat heel de bevolking zal worden weggevoerd.

In het midden van zulk een strafpredikatie (Jes. 7) komt, volkomen onverwacht en zonder zichtbaar verband, de beroemde voorzegging: De Heer Zelf zal u een teken geven: Zie, de Maagd zal ontvangen en een Zoon baren, en Zijn naam zal genoemd worden Emmanuel, God met ons. En wat eerst een onbegrijpelijke zinsnede was, blijkt bij de Geboorte van Christus een indringende voorzegging te zijn.

In een troostrede (Jes. 9) waar Jesaja uit naam van God herstel belooft van de verwoesting, komt de uitspraak: Want een Kind is ons geboren en een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouders gelegd. En Zijn naam zal genoemd worden: Wonderbare, Raadgever, God, Sterke, Vader van de komende eeuw, Vorst van de vrede. Wederom een zeer herkenbare profetie.

Zo is er veel te vinden, maar het meest overtuigend is wel de voorzegging over het lijden van de Messias in het 53e hoofdstuk: Er is geen gedaante meer aan Hem, wij zagen Hem... versmaad en veracht, een man van smarten die weet wat lijden is... In waarheid, onze ziekten heeft Hij gedragen, onze smarten heeft Hij op Zich geladen; wij hielden Hem voor iemand door God geslagen en vernederd. Maar het is om onze ongerechtigheden dat Hij werd gewond, om onze misdaden werd Hij verbrijzeld, door Zijn striemen werden wij genezen. Heel dit hoofdstuk is een lijdensmeditatie bij het Kruis van Christus, meer dan zevenhonderd jaar tevoren geschreven.

In de laatste hoofdstukken schildert Jesaja de wederopbouw van het verwoeste Israël in paradijselijke beelden: De wolf en het lam zullen tezamen weiden; en de leeuw zal stro eten als het rund...

Jeremia is het prototype van de boeteprediker, de man die de treurige opdracht heeft altijd slecht nieuws te moeten brengen. Hij moet de wil tot verzet breken en het overlopen naar de vijand bevorderen, en bewerken dat de bewoners van Jerusalem zich vrijwillig in de Babylonische gevangenschap begeven. Het is geen wonder dat hij daarvoor veel heeft moeten verduren en herhaaldelijk gevangen genomen werd; het is eerder een wonder dat hij zoveel ontzag inboezemde dat de leiders van het volk hem telkens weer lieten begaan. Zijn werk valt extra zwaar doordat er andere profeten optreden die heel wat aangenamere zaken verkondigen, en een spoedige bevrijding voorspiegelen. Jeremia predikt bekering, en verwijt de leiders en de rijken in steeds scherpere bewoordingen dat zij de armen uitbuiten en onderdrukken, naast het algemene verwijt over afgoderij waartoe het volk steeds weer geneigd was. Een diepe droefheid doordrenkt het leven van Jeremia: Wie geeft aan mijn hoofd water, een bron van tranen aan mijn ogen? Want bewenen zal ik dag en nacht de verslagenen van de dochter van mijn volk. Hij mocht zelfs geen troost zoeken in een gezin, want God beval hem ongehuwd te blijven. En in al zijn kwellingen vervalt hij in diepe wanhoop en schreeuwt het uit als Job: Vervloekt zij de dag waarop ik geboren werd: vervloekt zij de man die aan mijn vader de boodschap bracht zich te verheugen omdat hem een zoon geboren was. Waarom ben ik uit de moederschoot voortgekomen om jammer te zien en smart... Troostend is het om te lezen dat Jeremia toch vriendschap mocht ondervinden. Toen hij in de diepe gevangenisput geworpen was om daar van honger om te komen, kwam een eunuch van het hof bij de koning tussenbeide, en hij kreeg een brigade mee om Jeremia uit de put te halen. Vol bezorgdheid wierp hij eerst lappen naar beneden, waarmee de uitgeputte Jeremia zich kon beschermen tegen verwonding door het touw waarmee hij opgetrokken werd.

Nadat Jerusalem tenslotte door Nebukadnezar was ingenomen werd Jeremia vrijgelaten en mocht gaan waar hij wilde, terwijl de anderen werden weggevoerd naar Babylon. Hij sloot zich aan bij de onaanzienlijken die in het land mochten blijven en schreef regelmatig troostbrieven naar de gevangenen in Babylon, in samenwerking met de profeet Baruch. De Klaagliederen die Jeremia schreef zijn in een apart boek ondergebracht.

Onder de bannelingen in Babylonië wekte de Heer een nieuwe Profeet op: de priester Ezechiël. Zijn roeping was om het geloof levend te houden bij het volk dat zo volkomen afgesneden was van de levende tradities die het leven in het moederland hadden bepaald. Hij moest de aandacht trekken en vasthouden door opvallende symbolische handelingen en gedrag. Terwijl het roepingsvisioen van Jesaja een beeld is van verheven rust en majesteit, getuigt dit bij Ezechiël van intense werkzaamheid en kracht. Zware stormen en drijvende wolken, overal flitsende bliksems en een Gods-verschijning in vlammend vuur met zwaaiende fakkels. Er zijn geheimzinnige wezens en er is een mensengestalte, alles in onophoudelijke beweging. En al die bewegingen worden samengevat in het beeld van de in elkaar sluitende geweldige, beangstigende raderen vol ogen, die rollen en zich verheffen in alle richtingen, tegelijk met de vier wezens, zonder een vaste richting.

Maar boven heel dit pandemonium van licht en lawaai en beweging is er het firmament met de troon van Gods heerlijkheid en de vurige verschijning van een mensengestalte, die Ezechiël roept tot het profeten-ambt door hem te bezielen met een door God gezonden geest. En direct trekt hij de aandacht door het opvoeren van zijn eerste symbolische handeling: een pantomime van het beleg van Jerusalem, waarbij hij driehonderdnegentig dagen als verlamd onbeweeglijk moest blijven liggen op zijn linkerzijde, om de ongerechtigheid van het volk te dragen. Hij verhaalt ook visioenen met een sterke beeldende kracht, die hun apotheose vinden in de uitvoerige beschrijving van de nieuwe Tempel die hem verschijnt, en waarvan hij een uitvoerig bouwplan moet opstellen.

In de stad Babylon ligt het werkterrein van de Profeet Daniël. Hij behoort tot de groep jonge edellieden die dienst moesten doen aan het hof van koning Nebukadnezar, en hij verkreeg in bijzonder sterke mate het vermogen om in de toekomst te zien. Dit vermogen was bij hem verbonden met sterke intuïtie, hoge intelligentie en grote overtuigingskracht, en daardoor vormt hij het ideaal beeld van wat het begrip "profeet" bij ons oproept. Zijn vlammende blik belet de uitgehongerde leeuwen hem aan te vallen. Hij doorziet het smerige complot van de geile grijsaards tegen de schone Susanna, en ook het bedrog van de afgodspriesters met hun etend beeld. Hij leest de geheime gedachten af van het aangezicht van de mensen, en weet zelfs de droom op te roepen die de koning zich niet kon herinneren. Die droom bouwt hij op tot een geweldig toekomst-visioen van de vier opeenvolgende wereldrijken, die tenslotte verbrijzeld zullen worden door de steen die zonder mensenhand wordt weggescheurd uit de rots, waarin wij een voorzegging van Christus herkennen. Bijzonder beeldend is het verhaal over koning Belsassar die beval de uit de Tempel geroofde heilige vaten bij een braspartij te gebruiken, waarop een geheimzinnige hand verscheen die het doemvonnis op de muur schreef dat alleen Daniël kon ontcijferen; Mene, Tekel, Upharsin: Geteld, gewogen, en te licht bevonden.

Aan het slot van zijn leven ziet Daniël de apocalyptische visioenen die later door de heilige Joannes worden overgenomen en sterk uitgebreid, en die dan het waardige slot vormen van het Nieuwe Testament en van geheel de Heilige Schrift.