Orthodox Klooster van de Heilige Johannes de Voorloper

Kom, Heer Jesus, kom!

De heilige Schrift en de gebeden van de Kerk leren ons dat ons leven niet slechts een taak is die wij moeten volbrengen op deze aarde, maar dat het tegelijk de voorbereiding is voor ons voortleven in de eeuwigheid. Over dit leven na de dood weten bijzonder weinig, al zouden we het nog zo graag nader willen kennen. We hebben alleen de belofte van Christus dat wij deel zullen krijgen aan Zijn heerlijkheid, maar we kunnen ons er geen enkele concrete voorstelling van maken hoe dat zal wezen, gewoon omdat ieder vergelijkingsmateriaal ontbreekt. Er wordt gezegd dat we God zullen zien en dat we deel zullen hebben aan de lofzang van de Engelen, maar zulk een statische bezigheid komt ons weinig aantrekkelijk voor om dat de hele eeuwigheid vol te houden.

Toch kunnen we met behulp van voorbeelden iets dichter bij de waarheid komen. Een beroemde middeleeuwse ballade vertelt over een monnik die erg met het vraagstuk worstelde wat hij in zo’n hele eeuwigheid moest doen om zich niet te vervelen. Met deze gedachten liep hij eens na de Verspers buiten in het bos. Plotseling hoorde hij vlak bij zich een nachtegaal zingen en hij bleef verrast stilstaan om te luisteren naar dat lieflijk geluid. Volkomen geboeid door die prachtige zang vergat hij alles om zich heen tot hij de klok hoorde luiden voor de Completen en hij naar het klooster terugkeerde.

Maar wat vreemd, hij kon nauwelijks de weg terugvinden, wat zag alles er anders uit. Terug in het klooster zag hij alleen maar onbekende broeders en niemand herkende hem. Geen wonder, want de kalender wees driehonderd jaar later. Het is de poëtische uitdrukking van een ervaringsfeit: wanneer we volkomen in beslag worden genomen door wat we zien of doen, dan lijkt de tijd stil te staan en zijn we altijd verrast dat het zoveel later is geworden dan we dachten. En we kunnen eruit concluderen dat ons beleven van de tijd volkomen anders kan zijn dan tijdens dit aardse leven.

Met een andere analogie kunnen we nog iets verder doordringen in de mogelijkheden die we verwachten kunnen. Laten we ons daartoe eens indenken in de belevingswereld van een blinde. Zijn wereld bestaat slechts uit geluiden, geuren en tast-indrukken, maar toch is het een geheel gevulde wereld. Zolang de blinde alleen maar contact heeft met andere blinden zal zij of hij zich nooit bewust worden van een gebrek. Alleen in contact met zienden komt de blinde telkens voor raadsels te staan. Wat zou er in ‘s hemelsnaam bedoeld worden met een blauwe hemel? Wat zou het verschil zijn tussen een witte en rode roos, die heerlijk geurende, fluweelzachte bloem? Hoe kun je op een afstand weten of iemand een blij of kwaad gezicht zet? Eerst door zulke raadsels komt de blinde tot het besef dat er nog een andere werkelijkheid is dan die waarin hij leeft, waarin hij volledig ondergedompeld is, en die zonder naad of breuk om hem heen sluit.

Maar welk een gevoel van alles overtreffende rijkdom zal die blinde overspoelen wanneer hem door chirurgie of een ander wonder het gezicht geschonken wordt! Met welk een verbazing zal die de andere mensen zien, niet maar hoofden, handen, lichamen, maar het prachtige geheel met een gelaat waarin een ziel zichtbaar wordt. Wat een verrukking zal het zijn om de bergen te zien, de zeilende wolken in de lucht, de vliegende vogels, de trillende pracht van een vlinder, de aandachtige blik van een baby, de statige schoonheid van een hoog opgegroeide boom, de geheimzinnige sterren aan de nachthemel.

Welk een overvloed aan avonturen zal elke dag brengen bij het zien van steeds weer nieuwe en volkomen onverwachte dingen. Welk een dankbaar besef zal de genezen blinde hebben voor dat ongelooflijke wonder van het zien. Hoe wij met onze twee ogen een wereld opbouwen, een weidse en alles omvattende ruimte om ons heen die reikt tot in de oneindigheid. Terugblikkend op de tijd toen hij nog blind was, komt er inzicht en een nieuwe waardering voor de toen reeds voorhanden mogelijkheden, en tenslotte voor het grote wonder van het leven zelf.

Door zo te denken kunnen wij in onze geest een vermoeden oproepen over wat we zullen ondervinden wanneer we na de dood volkomen andere en niet in te denken mogelijkheden zullen verkrijgen met als het ware geheel nieuwe zintuigen. Christus’ woorden kunnen toch alleen maar betekenen dan dat we dan op nog veel intenser wijze overstelpt worden door nieuwe indrukken, en een oneindig grootsere wijdsheid zullen ervaren dan die blinde die tot het zien komt. En ook wij zullen dan met gelukkig-makende helderheid de rijkdommen ervaren die we reeds in ons aardse leven mochten ontvangen. We kunnen in dit verband ook nog bedenken op hoeveel volkomen verschillende manieren wij kunnen genieten door middel van de slechts vijf zintuigen die ons lichaam bezit.

Daar is de tastzin die ons niet slechts diep geluk kan schenken wanneer wij iemand aanraken van wie wij houden, maar daarnaast een veelzijdig palet van andere ervaringen schenkt: het zachte dons van een jong beukenblad en de ruwe bast van een knoestige eik; een strelend briesje op een verhit voorhoofd, of de striemende windvlagen van een hagelbui; de klotsende golfslag op onze huid van de zee in de zomer, of de tintelende koude van zon-doorstraald helder vriesweer; de talloze dingen en materialen die wij kunnen aanraken, en die elk hun eigen tastbeeld voortbrengen.

De smaak en de reuk doen ons genieten van die rijke verscheidenheid van bloemen en vruchten waarmee God ons reeds op deze aarde verblijdt. In het Boek van de Openbaring poogt Johannes te schetsen welke verhoogde kracht deze zintuigen zullen bezitten en ervaren in het Nieuwe Jerusalem.

Veelzijdiger is ons gehoor waarmee we zulke uiteenlopende klanken kunnen vernemen. Het feit alleen al dat wij kunnen spreken en verstaan, dat wij woorden kunnen vormen om onze gedachten mee te delen aan wie maar wil luisteren, en dat wij daardoor gemeenschap kunnen hebben met anderen op talloze niveau’s, vanaf een zakelijke gedachtenwisseling tot het tastend uiten van onze verhevenste vermoedens, in woord of in geschrift. Dan het grote gebied van de muzikale klanken, vanaf de talloze natuurgeluiden tot de weelde in klankkleuren van muziek-instrument of orkest.

Zo zien we hoe elk van onze vijf zintuigen ons een hele eigen wereld van volkomen verschillende ervaringen schenkt, die allen samen onze ene mensenwereld vormen. Bij dieren komen nog andere zintuigen voor met hun eigen belevingen die wij voor een klein deel kunnen doorgronden, of tenminste vermoeden, zoals de geurenwereld van de hond, de richtingszin van de trekvogels, de electrische wereld van de sidderaal, de kleurenwereld van de bijen, de chemische wereld van de mierenhoop.

Wij, mensen, hebben ook instrumenten gemaakt, eerst als uitbreiding van onze zintuigen, maar daarnaast ook geheel nieuwe zintuigen waarmee wij de natuur doorvorsen, vanaf de onderdelen van de atomen waaruit alle stoffelijke dingen bestaan, tot aan de zo uiteenlopende sterrenstelsels die de eindeloosheid van het heelal bevolken.

Juist daarmee hebben wij in onze geest een zulk een rijk en veel-omvattend wereldbeeld opgebouwd, dat het al onze aandacht in beslag neemt, zodat we ons bewust moeten inspannen om iets gewaar te worden van een geestelijke werkelijkheid die aanklopt aan de deur van ons hart. En ons hart zegt ons dat de waarde daarvan heel de rijkdom van de stoffelijke werkelijkheid oneindig te boven gaat. Maar het is slechts een stille stem die gemakkelijk verdrongen wordt door het luide gerucht van de tastbare wereld. Toch weten we in onszelf waar de echte waarden liggen, en er zijn ogenblikken in ons leven dat de twijfel wijkt en we ons bewust worden van die diepere waarheid. Dat al die wonderen die op zoveel manieren ons leven gestalte en inhoud geven, onmogelijk maar iets toevalligs kunnen zijn, op welk een luide toon dit ook wordt verkondigd of geschreeuwd. En dan beseffen we ook dat al deze rijkdommen niet in zichzelf afgesloten zijn, zodat er een oneindige uitbreiding en groei in vele richtingen mogelijk is. En hoezeer onze geest ook elk ogenblik geheel gevuld is, toch zal er altijd weer een nieuwe mogelijkheid opgenomen kunnen worden, omdat er geen principiële grens aan die groei is gesteld: we leven in Gods oneindigheid.

Zo kunnen we nog andere lijnen in ogenschouw nemen. Bijvoorbeeld de zo gevarieerde en buitengewone talenten die aan de mensen geschonken zijn, en die daardoor ook een belofte inhouden van steeds groeiende grootheid. We kunnen denken aan de betrekkingen tussen de mensen, het verlangen naar eenheid tegen alle verscheurende conflicten in, en ook de daadwerkelijke groei naar samenwerking ondanks alle tegenstand. Gezien vanuit een enkel mensenleven is er nog maar een heel langzame en vaak twijfelachtige vooruitgang, maar over een iets langere periode is de richting toch duidelijk zichtbaar. Tegelijk is er echter de groei naar een uiteindelijke catastrofe die in de profetische Boeken wordt voorzien. Maar deze is dan tevens de poort naar de definitieve oplossing, wanneer de Mensenzoon zal verschijnen in heel Zijn heerlijkheid om alles in allen te zijn en ons zo binnen te brengen in het heerlijke Rijk van de Vader.