Orthodox Klooster van de Heilige Johannes de Voorloper

Geestelijke Reis

In deze wereld die zo extreem sterk op het materiële is gericht, ervaren we steeds vaker dat er toch een zekere behoefte wordt gevoeld aan contact met een diepere werkelijkheid. Deze behoefte is meestal niet scherp omlijnd en laat zich daardoor gemakkelijk afleiden naar wegen die bij nadere ervaring niet bieden wat er beloofd werd. Dat behoeft op zichzelf, behalve tijd- en energie-verlies, niet zo erg te zijn, maar er kunnen wel uiterst negatieve consequenties aan verbonden zijn.

Misschien geeft het inzicht als we de geestelijke zoektocht vergelijken met een gemakkelijker te doorziene ervaring, zoals het beklimmen van een hoge bergtop. Zet het doel maar hoog en denk aan de Himalaya. Het moet een geweldige ervaring zijn om te staan op het dak van de wereld, met hopelijk een helder uitzicht op al de toppen in het rond, onder een stralende hemel, ver weg van alle kleinheid en bedorven atmosfeer. Maar het vraagt wel een ontzettende inspanning.

Uit gemakzucht zouden we kunnen kiezen voor een chemisch middel dat volgens de verhalen erover een dergelijk gevoel zou kunnen opleveren. Toch zal vrijwel iedereen met de klomp aanvoelen dat dit maar een nep-ervaring zou zijn, zonder enige wezenlijke betekenis.

Een realistischer oplossing van ons gedachten-experiment kan zijn om ons met een helikopter op de Mount Everest te laten afzetten om daar zonder inspanning te genieten van het weergaloze schouwspel. Maar wanneer we even verder denken dan breekt spoedig het besef door dat we in deze koude en sterk verdunde atmosfeer te ziek en te verblind zouden zijn om ook maar iets te kunnen zien.

De enige reële mogelijkheid is: deelnemen aan een Himalaya-expeditie, met alles wat daarmee verbonden is. We zouden een streng oefenprogramma moeten doorlopen om onze lichamelijke conditie op het noodzakelijk vereiste peil te brengen. We zouden ons aan een speciaal voedingsschema moeten houden om opgewassen te zijn tegen de ontberingen die ons in zulk een barre omgeving te wachten staan. We zouden ons aan een jarenlange, consequent volgehouden zware alpinisten-training moeten onderwerpen om ook maar enige kans van slagen te hebben en ons doel te bereiken. En boven alles: het zou een totale inzet, zonder enige restrictie, vergen van onze gehele persoon, want het is reiken naar de uiterste grenzen van onze menselijke mogelijkheden.

Daarbij is het ook instructief om te zien hoe zulk een expeditie in de praktijk verloopt. Reeds het begin van de tocht voert door bijna onbegaanbaar gebied, waar allerlei moeilijkheden overwonnen moeten worden: Moerassen doorkruisen, in tropische hitte paden hakken door ondoordringbare wouden, steile berghellingen beklimmen, de een na de ander. Een vijandige insectenwereld doet alles om het leven zo onaangenaam mogelijk te maken. Naarmate we hoger komen, nemen de moeilijkheden en de gevaren toe. Op hellingen met los gesteente wordt het uithoudingsvermogen zwaar op de proef gesteld. Het wordt steeds moeilijker om voldoende lucht in te ademen. Langs steile ijswanden moeten de krachten tot het uiterste worden ingespannen om hoger te komen. Bittere vrieskou verlamt het lichaam. IJzige sneeuwstormen maken elke voortgang onmogelijk. Er moet gekampeerd worden onder erbarmelijke omstandigheden.

Dit alles kan slechts opgebracht worden door ons telkens weer het glorieuze doel voor ogen te stellen. Daarbij gaat het niet alleen om het bereiken van een unieke uitzichtspositie. Een veel grotere rol speelt de overtuiging een bovenmenselijke prestatie te hebben geleverd, het bewustzijn uit eigen wil zware kwellingen te kunnen verduren en ons weerspannig lichaam onder bedwang te hebben en het te laten gehoorzamen aan onze wil en onze voornemens.

Deze barre tocht kan in veel opzichten vergeleken worden met het voortgang maken op de geestelijke weg. Dit wordt in de Schrift vaak vergeleken met een sportieve of soldateske prestatie, zoals hardlopen en zelfs een bokswedstrijd. Ook de Diensten van de Grote Vasten doen graag een beroep op het sportieve aspect. Het uitzicht op de gezamenlijke viering van het Pascha, het grote Paas-mysterie, wordt ons als een bemoediging voor ogen gesteld. De beperking in voedsel en genotmiddelen vormt een ware conditie-training ter verhoging van de innerlijke weerstandskracht.

De weg voert ook langs vele hoogtepunten waarbij allerlei aspecten van het geestelijk leven in het licht worden gesteld. Het begint al met Zacheüs, de kleine Tollenaar, die door de verhalen over de wonderbare Profeet diep was geraakt, en Hem uit onbereikbare verte liefhad; en die daarom in de vijgeboom klom om Christus te zien langskomen. Welk een volkomen onverwachte vreugde moet hem doorstroomd hebben toen Christus in het voorbijgaan die vurige liefde voelde branden, naar hem opzag en Zichzelf bij hem aan tafel nodigde. Nu ging zijn hart helemaal open en hij veranderde zijn gehele levensweg.

Reeds de volgende zondag ontmoeten we weer een tollenaar, nu in die wonderschone parabel van Christus over het gebed van de Tollenaar en de Farizeeër. Zou Christus hierbij aan Zacheüs hebben gedacht? Maar hier gaat het meer om de deemoed, het besef van eigen zondigheid en ontoereikendheid en de strijd om niet over anderen te oordelen omdat we maar al te goed weten hoezeer we zelf tekort schieten. Juist over de Farizeeër leert Christus ons dat zijn fout niet de onwaarheid was, maar de grootspraak en het minachten van anderen.

De volgende zondag: opnieuw een hoogtepunt: de parabel over de Verloren Zoon. Met welk een tederheid schildert Christus wat het eigenlijk betekent om vader te zijn. En hij tekent daardoor tegelijkertijd het portret van onze eeuwige Vader Die naar ons uitziet, en Die de wereld zozeer heeft liefgehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft om de wereld te verlossen. Hoe ver staat dit af van het in het latere Westen opgekomen beeld van een woedende Vader Die door het bloed van Zijn Zoon verzoend moest worden. Maar hoe staat het in het Evangelie? Het is de Vader Die staat uit te zien naar de terugkeer van de mislukte zoon; het is de Vader Die op hem toesnelt en hem om de hals vliegt; en het is wederom de Vader Die hem, zonder enige rancune, met een feestmaal in zijn oude glorie herstelt.

Na al deze vreugden komt de diepe ernst van de zondag van het Laatste Oordeel. Wij zijn geen kleine kinderen aan wie alles maar vergeven moet worden, we staan terecht als mensen met een echte verantwoordelijkheid, en die daarom tenslotte onherroepelijk de consequenties van onze eigen daden zullen moeten dragen.

En toch niet onherroepelijk. De Rechter van het heelal toont Zich opnieuw als de barmhartige Vader wanneer wij slechts onze mede-zondaars barmhartigheid willen bewijzen en elkander vergeving vragen uit geheel ons hart. In een groots visioen wordt het Paradijs opgeroepen en de eerste mens. Adam is de Verloren Zoon met heel zijn nageslacht die nu in het vooruitzicht wordt gesteld van die wonderheerlijke en schijnbaar onmogelijke verlossing van zijn, menselijk gezien, onbetaalbare schuld.

De tijd van de Grote Vasten is aangebroken. Alle geestelijke vermogens van de mens worden aangesproken, en ook lichamelijk willen we het bewijs leveren van onze goede voornemens door ons zoveel mogelijk te beperken in wat voor het lichaam aangenaam is: spijs, drank en verstrooiing. Dit moet de innerlijke kracht vergroten voor de strijd tegen het kwaad dat in ons lichaam en in onze geest huist.

Terecht volgen nu, als een voorgebergte, de vier dagen van de grote Boetecanon van Andreas van Kreta. We worden wakker geschud voor een diepgaand gewetensonderzoek. We zijn zo gemakkelijk voor onszelf, maar dat lost in werkelijkheid niets op. We moeten ons inspannen om te weten hoe we er in werkelijkheid voor staan. Aan de hand van Andreas doorlopen we de heilige Schrift als spiegel van het menselijk gedrag. Zo zien we onszelf en de vele kwade mogelijkheden van ons menselijk gedrag. Wat kunnen we anders doen dan in diepe deemoed telkens weer smeken: Ontferm U, o God, ontferm U over mij.

Alsof we opduiken uit een dichte nevel komt aan het eind van de eerste vastenweek, waarin we onszelf zoveel mogelijk geweld hebben aangedaan, een volkomen ander thema: de Zondag van de Orthodoxie, waar we ons met de middeleeuwse christenen verheugen over het einde van de ikonenstrijd. Het is tekenend voor de Orthodoxie hoe er telkens weer afstand gedaan wordt van een te starre, en daardoor dorre, vergeestelijking, en het lichamelijke in ere wordt hersteld. Het vasthouden aan de geestelijke waarde van het zintuigelijke, heeft ons een wereld van schoonheid gebracht in het wondere schouwspel der ikonen, waarop innerlijke schoonheid op lichamelijk aanschouwelijke wijze wordt uitgebeeld.

Een volgend rustpunt in de lichamelijk zware vastentijd is de Zondag van Kruisverering. Het ontzettende martelwerktuig van het kruis, dat in september in triomf bezongen wordt omdat God Zelf dit lijden heeft willen ondergaan, wordt ons nu als het middel van onze verlossing voor ogen gesteld, in een mengeling van vreugde en ontzetting over het lijden dat we reeds spoedig in zijn bloedige werkelijkheid zullen gaan herdenken en vieren. In huiverend ontzag buigen wij diep ter aarde onder het onafgebroken Kyrie eleison,, en zien wij op naar het overwinnende Kruis dat boven onze hoofden verheven wordt.

De vijfde donderdag weer iets heel bijzonders. We luisteren geboeid naar het levensverhaal van de heilige Maria van Egypte, de op het feest van Kruisverheffing door een mystieke ervaring bekeerde nymfomane, die in volstrekte eenzaamheid in de palestijnse woestijn een tientallen jaren durende strijd moest voeren tegen de onweerstaanbare aandrang van haar vroeger zo ontuchtig vlees, tot zij eindelijk mocht binnentreden in de zo zwaar bevochten hemelse heerlijkheid. Het is de ontmoeting met een dierbare vriendin die ons zo duidelijk laat zien hoe ook de sterkste neiging tot het kwaad overwonnen kan worden in het vertrouwen op Gods genade.

Nu naderen we het voorlopig einde van de reis. We zijn in Bethanië, bij het liefhebbend zusterpaar met hun zojuist gestorven broer Lazarus, en leren daar een ander facet van Christus’ persoonlijkheid kennen. Onze Heer was innig bevriend met dit kleine gezin, dat zelf weer het middelpunt was van een uitgebreide vriendenkring uit het nabije Jeruzalem. Voor hen deed Hij een van Zijn indrukwekkendste wonderen. Het is door de apostel Johannes zo levendig beschreven dat we het gevoel hebben er zelf bij tegenwoordig te zijn. Christus komt er omdat de zussen Hem hadden laten roepen naar Zijn stervende vriend. Hij komt met vertraging en het is te laat: Lazarus ligt reeds sinds vier dagen in het graf en het lijk is reeds begonnen te ontbinden. Er is een luidruchtig rouwende menigte bijeen. Ook Christus raakt diep ontroerd en Hij weende. Maar dan is het alsof Hij Zich plotseling weer herinnert wat Hij aan het begin van de week tot Zijn Apostelen had gezegd en Hij zegt nu ook tegen Martha dat Hij Lazaros zal doen opstaan en zij antwoordt Hem met een echte geloofsbelijdenis. En met wijd open ogen van verbazing zien we hoe de in lijkdoeken gewikkelde Lazarus op Christus’ bazuinroep uit het graf naar buiten treedt in een gehoorzaamheid die alle hinderpalen overwint.

We hebben het laatste plateau bereikt. Nu gaat het naar de top met de geweldige gebeurtenissen van Christus’ laatste dagen op de aarde. Een overweldigend drama dat van de laagste diepte tot in de hoogste sferen reikt, zal zich niet slechts voor onze ogen ontrollen maar wij zullen er deelgenoot van zijn.